quinta-feira, 28 de novembro de 2013

BRIEF AAN ARTHUR EN MIEL


Oi Arthur en Miel,

Staan jullie schoentjes al klaar? Of is de aandacht voor de goede lieve Sint al wat verminderd en is de koude kerstman al belangrijker geworden?

Waar is de tijd, ja, opa is al een beetje oud aan het worden en heeft al veel herinneringen hoe het vroeger was. Ik zie het nog voor me alsof het gisteren was, de tijd van Sinterklaas. Toen was het nog de Heilige Sint, en toen we stilletjes aan het spelen waren, mijn broer en ik, gebeurde het dat er plots een regen van snoepjes over ons heen kwam vallen. Het was een teken van de Sint, die ons beloonde omdat we zo braaf waren. Of er stond ineens op de hoek van de tafel een chocoladebeertje, de Sint was stilletjes voorbij gekomen, we hadden hem niet gezien of gehoord. Maar het belangrijkste was zijn komst bij ons thuis, elk jaar opnieuw kwam hij met zijn knecht en met zijn boek. Bij sommige kinderen kwam hij onverwacht maar wij wisten dat hij op die bepaalde namiddag of avond zou langskomen. We mochten de stoel klaar zetten waar hij straks zou in tronen en dan was het wachten, toch wel een beetje angstig want je wist maar nooit. Toen was hij daar, in onze ogen een grote man met zijn mijter en staf, een prachtige witte baard en glanzend lang haar. Vergezeld van zwarte piet die steeds een grote zak bij zich had. Daar waren we doodsbang van en gelukkig wordt die zak nu gebruikt om de snoepjes en het speelgoed in te stoppen. Toen diende die zak om de stoute kindjes in te steken. Piet was zwart omdat hij als knecht van de Sint door de schoorstenen moest kruipen om ’s nachts het speelgoed te brengen. In de meeste huizen werd toen verwarmd met kolen en daardoor waren die schoorstenen heel zwart vanbinnen en zwarte piet die kreeg dat roet nooit meer van zich af, hoe hij zich ook waste en schrobde. Er was altijd een kans dat je in die zak belandde, dat hangde af van Sinterklaas die een groot boek bij zich had waarin de namen van alle kindjes stonden, je wist dus nooit of je braaf of stout was geweest, en vooral wist je nooit of de Sint het gezien had toen je iets mispeuterd had. Het was dus een bang moment toen hij zijn boek opensloeg en onze namen zocht. Toen ging zijn vinger in de lucht, en zei hij: ‘Wat lees ik hier...”, ons hart sloeg een beetje vlugger en ja, elk jaar had hij toch iets gezien dat beter kon, we hadden broer gepest, een klein beetje, of we hadden niet goed geluisterd naar mama en papa. Maar het was niet erg genoeg om in de zak te vliegen en de Sint vond in zijn boek gelukkig heel wat goede dingen over ons, hoe goed we hadden geholpen bij het opruimen of hoe we gingen gaan slapen zonder tegen te pruttelen en ook hoe flink we onze boterhammetjes hadden opgegeten. Bij het heengaan kregen we nog wat snoep en mandarijntjes. Enkele dagen later, meestal op zondagmorgen, wanneer we opstonden, stond de tafel in de woonkamer vol met chocolade, marsepein, speelgoed en mandarijntjes.

Later, toen jullie mama nog kindje was kwam hij ook bij ons langs. Zwarte Piet was er toen niet bij en zijn grote boek was hij vergeten. Maar hij bleef telkens een hele tijd met mama en nonkel Bert vertellen en spelen en een stukje taart eten met koffie.

Arthur en Miel, zorg goed voor elkaar en braaf zijn hé.

Abraço van vovô en vovó.